Kleine uitweiding » Rang binnen de adel

Adellijke titel en adellijke rang – van het verleden tot het heden

Ooit was de invloed van de adel groter. Toch stralen de adellijke titel en rang nog steeds pracht en praal uit. De interesse in de adel is ongewoon groot. Roddelblaadjes vullen hele pagina’s met het reilen en zeilen van edellieden. Maar welke adellijke titels zijn er eigenlijk? Hoe heeft de adel zich in de loop van de tijd ontwikkeld? Wat is de rangorde binnen de adel?

De ontwikkeling van de adel in de loop der tijden

In de middeleeuwen was de adel de heersende laag binnen de maatschappij. Onder leiding van de koning organiseerden edellieden de hele staat. Hoe hoger de rang binnen de adel, des te hoger de sociale positie en het belang. Er waren ook aanzienlijke verschillen tussen de hoge en lage adel. De koning, keizer en vorsten drukten hun stempel op de hoge adel. Ze bekommerden zich om de taken van de regering, terwijl de lage adel alleen privileges had. De lage adel betaalde geen belastingen in de middeleeuwen en kon carrière maken binnen de staat. In vergelijking met het gewone volk en de burgerij kon de adel meer meewerken binnen de samenleving, het culturele leven sturen en een zekere macht uitoefenen.

In de middeleeuwen nam de macht van de adel af. Geleidelijk verwierf de burgerij meer economische en ook politieke invloed. De Franse revolutie betekende het begin van het einde van de hegemonie van de adel. In Duitsland was het einde van het Heilige Roomse Rijk der Duitse naties in 1806 al een stap in de richting om de adel uit zijn macht te ontzetten. Dat duurde een eeuw. In 1918 werd de Duitse keizer afgezet. Het uitroepen van de Weimarrepubliek en het aannemen van een grondwet betekende dat de adel alle voorrechten verloor. De adellijke titel was vanaf dan alleen nog een deel van de naam. Die naamstoevoeging ging echter niet meer samen met macht.

Verschillende rangen

Leken vinden vaak hun weg niet in de talrijke adellijke titels. Hierna vindt u een overzicht van alle adellijke titels in Europa, gaande van de middeleeuwen tot de moderne tijd. U krijgt ook informatie over predicaten en adellijke predicaten. De opsomming gebeurt in dalende volgorde – tussen keizer en edelman liggen verschillende adellijke titels.

Keizer/tsaar

De hoogste adellijke titel van heerser is de keizer. In het Russisch werd hij ‘tsaar’ genoemd, vrouwelijke heersers ‘tsarina’. De nakomelingen van een keizer hebben de titel van prins of prinses. Dat is anders bij de Russische tsaren: hun zoon is een ‘tsarevitsj’, hun dochter een ‘tsarevna’. De nakomelingen van een tsaar worden ook vaak aangeduid met grootvorst of grootvorstin.

Een keizer werd aangesproken met ‘Keizerlijke Majesteit’; zijn nakomelingen met ‘Keizerlijke Hoogheid’.

Koning

Onder de keizer staat de koning. De koning is de op een na hoogste adellijke titel in de adellijke rangorde. De koning of koningin zijn de hoogste hoogwaardigheidsbekleders in een monarchie. Naast hun rol als wetgevende macht staat de koning ook in voor rechtspraak en beslissingen binnen de uitvoerende macht. Een adellijke koning combineert zo alle staatsmachten.

De nakomelingen van de koning en koningin worden ook als prins en prinses aangeduid. Als ondergeschikten de koning rechtstreeks aanspreken, doen ze dat met ‘Koninklijke Majesteit’. Prins en prinses worden aangesproken met ‘Koninklijke Hoogheid’.

Aartshertog

De aartshertog is een adellijke titel voor de heersers over een aartshertogdom. Het ging in het bijzonder om familieleden van de Habsburgers of van het aartshertogdom Oostenrijk. Ook de nakomelingen van deze huizen waren aartshertogen. Hun aanspreektitel veranderde in de loop der jaren. Aanvankelijk werden ze aangesproken met ‘Doorluchtige’, later werd hun predicaat ook ‘Keizerlijke’ of ‘Koninklijke Hoogheid’.

Groothertog

Een andere hertog was de zogenaamde groothertog. Deze adellijke titel was voorzien voor vorsten met een rang tussen hertog en koning. De groothertog had dus minder macht dan de koning, maar meestal meer invloed dan een gewone hertog. De nakomelingen waren vaak ook prins en prinses, maar werden ook vaak aangesproken als erfgroothertog en erfgroothertogin. Als predicaat was de aanspreking ‘Allerdoorluchtigste’ in gebruik. In bepaalde groothertogdommen, zoals Hessen, Luxemburg of Baden, was een andere aanspreektitel gangbaar. De groothertog was hier ‘Koninklijke Hoogheid’.

Keurvorst

In het Heilige Roomse Rijk was de keurvorst de hoogste vorst in rang. Alleen keurvorsten hadden het recht en de macht om in de 13e eeuw de Rooms-Duitse koning te verkiezen. Daarenboven kon de keurvorst verschillende adellijke titels dragen. Keurvorsten waren bijv. landgraaf, aartsbisschop of zelfs koning. De aanvankelijke samenstelling van het kiescomité voor een koning bestond uit zeven keurvorsten. Vier van hen behoorden tot de wereldlijke adel, drie tot de clerus. In de 17e eeuw werd dat aantal uitgebreid naar negen keurvorsten. Later bestond het zogenoemde keurvorstencollege, dat de koning verkoos, zelfs uit tien leden.

Na de opheffing van het Heilig Roomse Rijk door Napoleon was er nog slechts één keurvorst: alleen Hessen-Kassel bleef een keurvorstendom. Juridisch stond de keurvorst nu op hetzelfde niveau als de landgraaf. De aanspreektitel voor een keurvorst was ‘Doorluchtige’ of ‘Koninklijke Hoogheid’. De kinderen heetten keurprins en keurprinses.

Hertog

Het ontstaan van de adellijke titel gaat terug tot de Germaanse geschiedenis. De hertog was een Germaans bevelvoerend generaal. Na verloop van tijd werd de hertog een koninklijke functionaris, die vooral instond voor militaire taken. De aanspreektitel van de regerende hertog was ‘Koninklijke Hoogheid’. Na de opheffing van het Heilig Roomse Rijk der Duitse naties verloren de hertogen hun recht op macht. Voortaan waren de hertogen ‘standesherr’ en werden ze met ‘Doorluchtigheid’ aangesproken.

Landgraaf

Landgraaf is een adellijke titel die uitsluitend voorkomt in Duitstalig gebied – vooral in Thüringen en Hessen waren er enkele landgraven. In 1803 werd de landgraaf van Hessen verheven tot keurvorst. De rang van landgraaf stond gelijk aan die van hertog. Nakomelingen zijn prins en prinses. Alleen de laatste landgraaf van Hessen-Homburg werd aangeduid als ‘Koninklijke Hoogheid’. Alle andere landgraven droegen het predicaat ‘Hoogheid’ en ‘Doorluchtigheid’.

Paltsgraaf

In het verleden had de paltsgraaf de taak om de koning en keizer bij het bestuur te ondersteunen. De paltsgraaf was voorzitter van de rechtbank aan het koninklijke hof. Verzoekers moesten naar de paltsgraaf komen en hem de kwestie voorleggen. In elk hertogdom was er eerst een paltsgraaf. Later was er alleen nog een paltsgraaf aan de Rijn, aangezien de meeste graafschappen in de loop der jaren aan een groter vorstendom toegewezen werden. De nakomelingen waren ook hier prins en prinses. De aanspreektitel voor de paltsgraaf was normaal gezien ‘Doorluchtigheid’. De keurvorst van Saksen werd als paltsgraaf aangesproken met ‘Koninklijke Hoogheid’.

Markgraaf

Tot het einde van de 11e eeuw werden edellieden aan de grenzen van het rijk aangeduid als markgraaf. Deze leidinggevende rol werd niet verder ontwikkeld. In het Heilige Roomse Rijk had deze adellijke titel geen betrekking meer op de geografie. De adellijke titel van markgraaf was eerder een rang binnen de rangorde voor rijksvorsten. De markgraaf stond gelijk met de rang van hertog in de middeleeuwen. Zijn aanzien was niet overal even groot. In sommige landen behoorde de markgraaf tot de lage adel. Hij had geen heersende functie. Zijn aanspreektitel was ‘Doorluchtigheid’; bij de lagere adel zijn nakomelingen prins en prinses.

Vorst

Een vorst heerste over diverse landerijen. Als het land een vorstendom was, regeerde de vorst over land en bodem. De aanspreektitel voor de vorst was ‘Hoogvorstelijke doorluchtigheid’. Slechts aan weinig vorsten viel de eer te beurt om als hoogheid aangesproken te worden. Erfprinsen en erfprinsessen waren de nakomelingen van de vorst. De titel van vorst werd in het verleden soms enkel omwille van de eer verstrekt. In dat geval ging de titel niet gepaard met het recht om te heersen of macht uitoefenen. De houders van de adellijke titel behoorden integendeel niet tot de hoge adel. Otto 1e vorst von Bismarck is ongetwijfeld de bekendste vorst.

Vrijheer/baron

Helemaal onderaan de adellijke piramide staan de vrijheer en baron. Onder hen staan alleen nog edellieden met enkel een adellijk predicaat zoals ‘van/von’ of ‘ten/zu’, maar geen adellijke titel. Vrijheer en baron zijn gelijkgesteld in rang. Mannelijke nakomelingen behouden de titel, vrouwelijke nakomelingen zijn barones of vrijvrouw. Familieleden worden aangesproken met ‘Hooggeboren’, wat wijst op de voorname stand binnen de adel.

Ridder / heer / heer van / vrouw van / landman van

Helemaal onderaan in de rangorde bevinden zich ridder, heer, heer van, vrouw van en landman van. Om tot ridder geslagen te worden, moet de kandidaat diverse criteria vervullen. Vanaf de 19e eeuw behoorden ridders tot een eigen adelstand. Wie tot ridder geslagen werd, kreeg een adellijke titel.

De aanspreking ‘Heer’ was daarentegen geen adellijke titel, maar enkel een adellijk predicaat. Dat gold voor de hele familie: zowel ouders als nakomelingen werden aangeduid als ‘heer/vrouw’. Deze bevindt zich in de rangorde onder een ridder.

‘Heer’ was vroeger de aanduiding van de stand. ‘Heer van’ of ‘vrouw van’ waren benamingen van adel. Adel zonder titel werd als ‘landman’ aangeduid. Alle lagere adellijke titels werden aangesproken als ‘Hoogwelgeboren’.